'Wel waerom trouwt gy Aaltje niet?' Het gedwongen huwelijk van notaris Pot

Historische datum 1743-1749 | Notaris Philippus Pot

Na alle smeuïge verhalen over de clientèle, blijkt nu een van onze notarissen zélf een schimmig verleden te hebben. Notaris Philippus Pot raakt verstrikt in een ingewikkelde zaak over vaderschap en trouwbeloftes, waarin hij lijnrecht tegenover zijn verloofde komt te staan.

In december 1743 gaat Pot op bezoek bij zijn neef en nicht, Marretje van Honthorst en Fedde Donker, smekend of zij zijn dienstmeisje een kamer in hun huis op de Kloveniersburgwal willen verhuren. Hoewel ze vroeger Pot 'wonderlijk wel bediend' heeft, is ze volgens Pot niet meer in staat om te dienen en heeft hij aangeboden voor de rest van haar leven voor haar te zorgen. Haar naam is Aaltje Wilbrands en ze is op dat moment 22 jaar oud. Ze verblijft nog bij haar ouders in Oenen, maar Pot wil haar graag in Amsterdam hebben. Marretje en Fedde ruiken onraad: de zaak komt hen wat wonderlijk voor en zij 'souden niet gaarne eenige malligheeden aen ons huys willen hebben.' Pot verklaart dat zijn intenties zuiver zijn. Hij zal Aaltje niet aanraken en zelfs niet spreken, alle zaken zouden schriftelijk geschieden. Hij zou daar niet eens tijd voor hebben, want: 'Ik ben een notaris, en hebbe redelijk veel te doen.' Uiteindelijk nemen Marretje en Fedde Aaltje in huis.

Op 1 april 1744 arriveert Aaltje bij Marretje en Fedde en ook Pot komt langs met een verzoek. Hij wil niet dat Aaltje enig werk te doen krijgt: hij wil namelijk met haar trouwen. Voordat het zover kan komen moet er echter het een en ander veranderen, Pot wil haar eerst 'tot een Juffrouw maake, die met hem egaal in fatsoen konde voor den dag koomen.' Kosten noch moeite mogen worden gespaard, hij koopt een compleet nieuwe garderobe voor haar, die hij zelf uitzoekt: linnen, wollen, zijde en kanten kledingstukken, niets is 'te kostelijk of te duur' voor zijn Aaltje.

Enkele weken later op Hemelvaartsdag, 14 mei 1744, zijn Marretje en Fedde de stad uit. Wanneer ze weer thuiskomen, vinden zij Pot in huis, die op bezoek is bij Aaltje. Zij verklaart dat ze nu 'aan Philippus Pot verkocht is', waarop ze zeven dukaten uit haar zak haalt die ze van Pot heeft gekregen: één als trouwbelofte en de andere als begin van een goudbeursje. Later bekent Pot dat hij op die dag, maar ook meerdere keren daarvoor en daarna, 'vleselijk met haar geconverseerd' had. Aaltje raakt zwanger. Pot belooft met haar te trouwen zodra ze bevallen is.

Een paar weken verstrijken en alles loopt op rolletjes, totdat Aaltje kiespijn krijgt. Pot is meteen bezorgd, hij wil niet dat een chirurgijn de kies komt trekken: 'Ik ben bevreest, dat het de vrucht schadelijk sal sijn, of dat zij er selfs ongemak van sal krijgen'. Hij loopt over van bezorgdheid en wil dat Aaltje bij hem komt wonen voor de rest van haar zwangerschap. Wanneer hem dat door Marretje en Fedde geweigerd wordt, eist hij die avond bij haar te mogen slapen. Ook dat wordt hem geweigerd, waarop hij met veel geweld de deur uitgezet moet worden. Een van de andere bewoners van het huis, Leendert van der Werver, wordt met hem meegestuurd om ervoor te zorgen dat hij veilig thuiskomt.

Terwijl zij naar huis lopen doet Pot deze Leendert ineens een oneerbaar voorstel: hij vraagt of Leendert 'ook sin in Aaltje hadde, en so ja, dat hij met haar wilde trouwen'. Daar blijft het niet bij. Pot belooft Leendert een flinke som geld als hij op zijn aanbod ingaat. Leendert weigert. Pot probeert een andere tactiek, hij biedt Leendert een grote som geld om te getuigen dat Fedde Donker de vader van Aaltjes kind is, zodat Pot zelf buiten schot zou blijven. Wanneer Pot en Leendert bij Pots huis aankomen, wordt deze belofte herhaald door de moeder en zus van Pot. Ook de broer van Leendert wordt bij het complot betrokken. De moeder en zus van Pot proberen Leendert over te halen om zijn broer hetzelfde te laten getuigen, op beloning van een geldbedrag. Ongeacht de rijke beloften weigeren Leendert en zijn broer hieraan mee te werken.

Op 22 november 1744 komt Pot naar het huis van Marretje en Fedde om Aaltje te bezoeken. Marretje is het gedoe met Pot inmiddels wel zat, en vraagt hem: 'wel waerom trouwt gy Aaltje niet, want anders is u kind een hoerkind.' Pot vindt het onzin, hij zal met haar trouwen wanneer 'zy eerst de kraem hadde uytgelegen en een schoon lyff hadde.' Hij weigert meermaals de trouwbelofte te tekenen en Marretje moet een paar duizend gulden voorschieten om Aaltje in haar behoeften te voorzien, want Pot zegt nu geen geld te hebben.

Aaltje zelf laat het er dan ook niet bij zitten en stapt naar de commissarissen van huwelijkse zaken, die op 11 december 1744 beslissen dat Pot haar moet trouwen. Maar Pot is het daar niet mee eens. Uiteindelijk loopt het conflict dusdanig uit de hand dat de zaak bij de Hoge Raad belandt.

Hoe zuur de verhoudingen uiteindelijk zouden worden, blijkt uit een attestatie van december 1748. Als Pot 's avonds over straat loopt, ziet hij twee vrouwen naderen. Wanneer ze dichterbij komen herkent hij Aaltje en haar vriendin, Grietje Landers. Ze grijpen hem aan weerszijden bij de armen beet en Aaltje sist hem toe: 'hier hond, nu zullen wij uw hebben.' In de schermutseling wordt Pot van zijn hoed beroofd en krijgt hij enkele klappen in het gezicht. Hij verklaart dat hij daarop "vriendelijk" verzocht te worden losgelaten en daarna naar de waterkant vluchtte. Op het aankomen van twee voorbijgangers kiezen Aaltje en Grietje het hazenpad en Pot ontdekt dat er bloed langs zijn gezicht loopt.

Op 27 maart 1749 is er voor Pot geen ontkomen meer aan. Na een jarenlang conflict met Aaltje heeft de Hoge Raad over de zaak beslist: Aaltje krijgt haar gelijk en Pot moet haar trouwen. Dat gebeurt precies een maand later in Abcoude. Zoon Philippus is dan al 4 jaar oud. Op 48-jarige leeftijd komt er dan toch een einde aan het alleenstaande leven van Philippus Pot.

Tags

18e eeuwhuwelijk
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen