Speuren naar Rembrandts

Historische datum 12 mei 1736 | Notaris Jan de Vicq

Dat de archieven van de Amsterdamse notarissen veel kunsthistorische informatie bevatten is al heel lang bekend. Bijna alles wat wij weten over de handel en wandel van Rembrandt van Rijn is gebaseerd op negentiende- en twintigste-eeuws onderzoek in deze notariële akten. Waar beroemde en onbekende kunstschatten zich in de zeventiende en achttiende eeuw bevonden, leren we uit de vele duizenden boedelinventarissen. Veel van de deelnemers van Alle Amsterdamse Akten zijn dol op het speuren naar afbeeldingen van de schilderijen in boedels, met als hoofdprijs natuurlijk de vondst van een al dan niet bekende Rembrandt.

Op 19 mei kwam AAA-vrijwilliger Annet Verbout-Wamsteeker de ongeveer 100 pagina's tellende inventaris tegen van de goederen die schepen Nicolaas Cornelis Hasselaer inbracht in zijn huwelijk met Anna Divera Kick. Hasselaer had een zeer uitgebreide kunstverzameling met 'talloze schilderijen van bekende schilders, waaronder een van Rembrandt (Jacob, knielende voor Pharao) en twee van Jan Steen ('boere kermis vol gewoel' en 'ziek mannetje'). Tevens van Adriaan van Ostade, Ruijsdaal, Hans Jordaans, Hondekoeter, Gabriel Metzu, Wouwerman, Gerard Dou etc.', zo schreef Annet op het AAA-forum.

Nou willen we Van Ostade, Metsu, Dou en de anderen niet te kort doen, maar zeker in een Rembrandtjaar spreekt natuurlijk vooral de Rembrandt enorm tot te verbeelding. Om welk stuk gaat het hier eigenlijk? Kan het misschien om een verloren Rembrandt gaan? In de inventaris staat het schilderij beschreven als ' Een capitaal stuk van Rembrandt Jacob knielende voor Pharao'. Zes jaar later, nadat Hasselaer was overleden, werd op 26 april 1742 het schilderij verkocht voor 155 gulden als ' Een overheerlijk stuk van Jacob, Joseph en Pharao, door Rembrand, h. 5 v. 10 d., br. 7 v. 9 d.' Aangezien op Twitter diverse Rembrandt-kenners actief zijn, werden ook zij ingeschakeld bij deze speurtocht. Als snel werd door verschillende mensen een tekening met dezelfde voorstelling, waarschijnlijk een voorstudie voor een schilderij, in de collectie in het Rijksmuseum aangedragen.

Alleen is die tekening niet van Rembrandt, maar van Ferdinand Bol. Het was niet ongebruikelijk dat schilderijen van Rembrandts leerlingen, zoals Bol, na de zeventiende eeuw werden aangezien voor werken van de meester zelf. Zou het stuk in de boedel dan geen Rembrandt zijn, maar een Bol, die destijds bekend stond als een Rembrandt? Daar waren de kunsthistorische twitteraars het al gauw over eens, zeker nadat Tom van der Molen met de link naar een schilderij van Bol in de Staatliche Kunstsammlung Dresden kwam aanzetten. Dat schilderij komt niet alleen qua afbeelding, maar ook wat betreft de maat (170 bij 226 cm) behoorlijk overeen met de in de veilingcatalogus van 1742 genoemde maat (hoogte: 5 voet en 10 duim, breedte: 7 voet en 9 duim).*

Dit klinkt behoorlijk overtuigend. Al kunnen we op basis van de nu bekende feiten natuurlijk niet uitsluiten dat er een schilderij met deze voorstelling van Rembrandt heeft bestaan, maar verloren is gegaan, of dat er nog eens een onbekende Rembrandt met dezelfde maten op zal duiken. Of dat er een akte opduikt waaruit blijkt dat niet Hasselaer maar iemand anders het schilderij van Bol in 1741 in de pronkkamer had hangen. Tot die tijd gaan we ervanuit dat het een Bol is, die voor een Rembrandt werd aangezien.

Zoals al eerder aangegeven, zat er natuurlijk nog veel meer moois in de boedel. Zoals het Haringvrouwtje van Metsu, een dode haas met vogels van Weenix, een musicerend gezelschap van Schalken en 'Orestes en Pylades' van Verkolje. Dat laatste schilderij heeft een plekje gevonden in het Amsterdam Museum. Opvallend genoeg waren dit allemaal schilderijen die bij de verkoop op 26 april in het huis van Hasselaer aan de Nieuwe Doelenstraat meer opbrachten dan de Rembrandt/Bol. Verreweg het duurste schilderij was in 1742 'Het zeer bekende stukje door G. ter Burg, met drie Beelden, zynde het beste van hem bekent', dat voor 670 gulden van eigenaar wisselde.

Een portret door Rembrandt?

Enkele dagen later kwam CLCL-deelnemer Mariët Poel bij notaris Dirk van der Groe de boedelinventaris van Catharina Hooft tegen. In deze boedel werden diverse portretten van bekende figuren en familieleden genoemd, waaronder die van Jacob de Graeff, Andries de Graeff en van de raadspensionarissen Johan van Oldenbarnevelt en Johan de Witt. Catharina was getrouwd met burgemeester en diplomaat Cornelis de Graeff, één van de voogden van Willem III, en was verwant aan diverse invloedrijke figuren zoals P.C. Hooft en de gebroeders De Witt. Een milieu waar portretten door Rembrandt zeker niet ondenkbaar zijn. En inderdaad, Andries de Graeff is geportretteerd door Rembrandt, en dat schilderij bevond zich in 1709 in de collectie van Pieter de Graeff, zoon van Catharina en Cornelis.

Zat dit portret door Rembrandt inderdaad in de collectie van Catharina Hooft, zonder dat de naam van de schilder genoemd werd? In heel veel boedels worden de namen van schilders niet of slechts deels genoemd, zelfs als het om Rembrandt gaat. Denk bijvoorbeeld aan de ' twee conterfijsels' van Maarten en Oopjen, in de boedel van Maarten Daey uit 1659. Gold dit ook voor de boedel van Hooft?

Daarover kunnen wij vooralsnog geen uitsluitsel geven. Eén van de aanknopingspunten die we op dit moment hebben, zijn de waarden van de schilderijen in de verschillende boedels en vermeldingen in het Notarieel, en die lopen nogal uiteen. In de boedel van Catharina Hooft uit 1691 staat het portret van Andries de Graeff (met gouden lijst) voor 25 gulden, terwijl hijzelf vijftig jaar eerder 500 gulden voor zijn portret door Rembrandt heeft betaald. In de boedel van Pieter de Graeff uit 1709 staan twee portretten van Andries, de Rembrandt voor 120 gulden en een portret zonder lijst voor 40 gulden. Zou het om het laatste schilderij gaan, waar inmiddels de lijst van af was gehaald en zou het kunnen dat Pieter de Rembrandt niet via de boedel van zijn moeder in handen kreeg? Of werd het schilderij niet herkend of ondergewaardeerd door de schatster? Ter vergelijking: de portretten van De Witt en Van Oldenbarnevelt werden samen – inclusief hun gouden lijsten – in de boedel van Catharina op 31 gulden en 10 stuivers geschat en achttien jaar later in de boedel van Pieter op 50 gulden.

*Als je de matentabel van het Meertens Instituut gebruikt, waarbij een Amsterdamse voet 28,3 centimeter is en een duim 2,57 centimeter, ging het in 1742 om een schilderij van 167,2 bij 221,3 cm.

Heeft u nog aanknopingspunten? Mail ze naar alleakten@amsterdam.nl

Zelf een mooie boedel vinden? Doe dan mee met AAA en/of CLCL!

Met dank aan: Annet Verbout-Wamsteeker en Mariët Poel en de (kunst)historici op Twitter @Rembrandtsroom, @TomvanderMolen, @mennojonker, @Ernakok en @afbdijkstra

Tags

RembrandtKunst17e eeuw18e eeuwBoedelinventaris
Deel artikel

     
   Gerelateerde artikelen